Diensthond/wapenstok/fysiek geweld:

In de zaak die leidde tot rapport 2000/217 (zie ook § 7A.17.3 en 7A.18) bezochten zes ambtenaren van het regionale politiekorps Gelderland-Midden en twee medewerkers van het elektriciteitbedrijf verzoekers woning in verband met verdenking van het houden van een hennepkwekerij. Nadat de hennepkwekerij was ontdekt, hield een politieambtenaar verzoeker aan. Een andere ambtenaar wilde daarna verzoeker bij zijn arm pakken om hem te boeien. Verzoeker trok tweemaal zijn arm los. Vervolgens gaf deze ambtenaar verzoeker een klap in zijn gezicht. In het proces-verbaal van aanhouding werd dit aangeduid als een corrigerende tik, bedoeld om verzoeker te bedaren en om de aanhouding te vereenvoudigen.

Vervolgens werkten twee ambtenaren verzoeker met geweld naar de grond en deden hem handboeien om. Verzoeker klaagde er onder meer over dat de politie bij zijn aanhouding disproportioneel geweld gebruikte: een klap in zijn gezicht en een verwurgingsgreep gevolgd door het zodanig hardhandig naar de grond werken dat hij daardoor een wervelbreuk had opgelopen.

Uit het onderzoek van de Nationale ombudsman kwam onder meer het volgende naar voren. Verzoeker was zichtbaar geďrriteerd door het in zijn ogen grote aantal politieambtenaren en steeds vloekte en schold hij. Verzoekers gedrag kwam op de betrokken ambtenaren over als recalcitrant en behoorlijk opgewonden. De betrokken ambtenaren hadden dit gedrag opgevat als onberekenbaar en waren van mening dat om die reden sprake was van een veiligheidsrisico. Daarom wilden zij verzoeker geboeid vervoeren. De Nationale ombudsman overwoog het volgende. Verzoeker was tot het moment dat hem werd meegedeeld dat hij zou worden geboeid, echter alleen verbaal agressief geweest en had zich nog niet fysiek verzet tegen zijn aanhouding. Daarnaast waren er geen omstandigheden, gelegen in de persoon van verzoeker (bijvoorbeeld dat verzoeker als gewelddadig bekend zou staan) of in de ernst van het strafbare feit, waardoor een veiligheidsrisico moest worden gevreesd, zoals in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar is vereist. Voorts stelde de Nationale ombudsman vast dat het mogelijk was geweest om een ambtenaar naast verzoeker in de politieauto te laten plaatsnemen. De betrokken ambtenaren hadden verzoeker dan ook eerst de gelegenheid moeten bieden om mee te werken aan zijn aanhouding en hadden hem moeten waarschuwen dat hij, wanneer hij niet zou meewerken, geboeid zou moeten worden vervoerd. Door meteen over te gaan tot het boeien van verzoeker is gehandeld in strijd met de Ambtsinstructie.

Een politieambtenaar is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken dat in overeenstemming is met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Het was in dit geval echter niet juist om verzoeker in zijn gezicht te slaan teneinde hem te bedaren dan wel om zijn verzet te breken. De politieambtenaren hadden, mede gelet op hun overmacht, op een andere manier verzoekers gedrag kunnen corrigeren, dan wel kunnen proberen hem te kalmeren en/of te waarschuwen voor de gevolgen van het niet meewerken aan de aanhouding. Het geven van een klap in het gezicht was niet in overeenstemming met het vereiste van professionaliteit. Daarnaast had deze klap niet het gewenste kalmerende effect, maar was het tegendeel het geval, omdat verzoeker vervolgens door een bokshouding aan te nemen zich verzette tegen de pogingen om hem te boeien. Op dit punt achtte de Nationale ombudsman de onderzochte gedraging «niet behoorlijk».

Voorts overwoog de Nationale ombudsman, nu de politie niet had mogen overgaan tot het boeien en het slaan van verzoeker, dat de politie het verwijt treft dat hierdoor de situatie ontstond dat verzoeker zich verzette en de politie genoodzaakt was om, teneinde het verzet van verzoeker te breken, geweld tegen verzoeker toe te passen. Hieruit volgde dat de politie eveneens van de toepassing van dit geweld in de vorm van een verwurgingsgreep en een armklem waarmee verzoeker naar de grond is gebracht, een verwijt kon worden gemaakt. Op dit punt was de onderzochte gedraging eveneens «niet behoorlijk».

In de zaak die leidde tot rapport 2000/96 (zie ook § 7A.3 en 7A.7) ging het om het volgende. Verzoeker had in de vroege ochtenduren van 21 september 1996 tijdens een ruzie met zijn echtgenote in de echtelijke woning onder meer een tafel en een ruit vernield. Daarop is verzoekers echtgenote naar het politiebureau in de buurt van de woning gegaan. Zij wilde dat de politie verzoeker een waarschuwing zou geven, omdat zij boos op hem was vanwege de door hem gepleegde vernielingen. Vervolgens zijn politieambtenaren van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland ter plaatse gekomen. Zij hebben verzoeker op 21 september 1996 omstreeks 04.45 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt strafbaar het zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden. Hiervan is sprake wanneer deze dronkenschap zó zichtbaar is, dat deze aanstoot kan geven.

Verzoeker heeft erover geklaagd dat de betrokken ambtenaren disproportioneel geweld jegens hem hebben toegepast op het politiebureau, onder andere door hem te laten vallen en hem te schoppen.

In verzoekers verklaring tegenover de politie stond onder meer het volgende vermeld.

In het bureau was hij rechtstreeks naar een cel gebracht. Daar werd hij op zijn buik op de vloer gedrukt. Tegelijkertijd had iemand zijn geboeide handen omhoog getrokken, wat pijn deed aan zijn polsen en schouders. Hij kwam daardoor ook met zijn heupen omhoog. Vervolgens werd hij door meer dan twee personen van achteren in zijn kruis geschopt. Dit had veel pijn gedaan en had pijn aan zijn testikels veroorzaakt. Mede daardoor had hij vermoedelijk bloed geplast. Verzoeker had ook naar voren gebracht dat de politie hem in de cel tegen de vloer had laten vallen.

Alle betrokken ambtenaren verklaarden dat zij verzoeker niet hebben mishandeld, en dat zij evenmin wisten van een mishandeling van verzoeker, dan wel dat zij het zich niet meer konden herinneren. De korpsbeheerder heeft laten weten dat hij beschikte over onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat verzoekers letsel, de zwelling aan de penis, het letsel aan de testikels en het gegeven dat verzoeker bloed had geplast, was veroorzaakt door politieoptreden.

Eén betrokken ambtenaar heeft echter verklaard dat hij had gezien dat er rood vocht, waarvan hij vermoedde dat dat bloed kon zijn, onder de deur van verzoekers cel doorliep. Verzoeker had hem vervolgens verteld dat hij bloed had geplast. Daarop had hij direct een arts gewaarschuwd, die ook was gekomen. In de verklaring van de arts stond vermeld dat hem op 21 september 1996, omstreeks 09.55 uur, telefonisch was doorgegeven dat verzoekers klachten betrekking hadden op bloed in de urine. In de medische verklaring van het ziekenhuis dat verzoeker heeft bezocht, gedateerd op 21 september 1996, stond als aanmeldingstijdstip vermeld 14.12 uur, een tijdstip gelegen direct na verzoekers heenzending om 14.10 uur. In deze verklaring stond onder meer vermeld dat er kneuzingen bij verzoeker waren geconstateerd aan zijn uitwendige plasbuis en dat er tevens veel bloed was aangetroffen in zijn urine. Het door de politie gestelde gedrag van verzoeker kon geen verklaring vormen voor de kneuzing van de plasbuis en het bloed in de urine.

Ook heeft geen van de politieambtenaren een opmerking gemaakt die er op zou kunnen duiden dat verzoeker voorafgaand aan het politieoptreden al gewond was geraakt. Bovendien blijkt uit de verklaring van verzoekers echtgenote dat verzoeker voordat hij werd aangehouden niet gewond was of pijn had, en dat hij toen hij later die dag thuis kwam huilde en bleef huilen, en had gezegd dat hij pijn had.

Op grond van al het voorgaande achtte de Nationale ombudsman verzoekers lezing dat hij van achteren in zijn kruis was geschopt meer geloofwaardig dan de lezing van de politie op dit punt. De onderzochte gedraging was «niet behoorlijk» en het politieoptreden verdient sterke afkeuring, aldus de Nationale ombudsman.

 

Verblijfsomstandigheden van arrestanten:

In de zaak die leidde tot rapport 2000/4 (zie ook § 7A.9.3) was verzoekster op 22 juni 1998 aangehouden wegens bijstandsfraude. Zij klaagde er onder meer over dat één van de sociaal rechercheurs van de Sociale dienst te Rotterdam haar de volgende ochtend niet in de gelegenheid had gesteld telefonisch contact op te nemen met haar 10-jarige zoon, die een zwakke gezondheid had.

De betrokken rechercheur had dit niet toegestaan, omdat een verdachte gewoonlijk door contact met een kind erg emotioneel kan worden. Dat achtte hij niet bevorderlijk voor het onderzoek. Zijn inschatting in het geval van verzoekster was geweest dat zij zich na een contact met haar zoon slechter zou gaan voelen, omdat zij daarvoor al zeer emotioneel was.

De Nationale ombudsman overwoog dat wat er al zij van het inschattingsvermogen van de betrokken sociaal rechercheur ten aanzien van de emotionele toestand van verzoekster en van andere verdachten, het enkele feit dat iemand mogelijk (tijdelijk) emotioneler wordt, onvoldoende reden was om verzoekster niet toe te staan contact met haar zoon op te nemen. Daaraan konden slechts opsporingsbelangen in de weg staan. Daarvan was in dit geval echter niet gebleken.

De Nationale ombudsman achtte de onderzochte gedraging op dit punt «niet behoorlijk».

In rapport 2000/121 (zie ook § 7A.12.3) was het volgende aan de orde. Verzoeker, die zich thuis in aanwezigheid van een politieambtenaar ernstig had verwond en naar eigen zeggen daarmee een zelfmoordpoging had ondernomen, was in het kader van de hulpverlening geboeid overgebracht naar het politiebureau. Bij zijn geleiding voor de hulpofficier van justitie vroeg verzoeker onder andere om een arts en medicijnen. Verzoeker klaagde erover dat hij niet in de gelegenheid werd gesteld de opgeroepen arts onder vier ogen te spreken. Verzoeker stelde daarbij dat hij had gevraagd om de arts onder vier ogen te kunnen spreken, maar dat dat niet mocht en dat een agente bij de deur bleef staan. Daarop weigerde hij het consult waarop de dokter onmiddellijk vertrok en de betrokken ambtenaar de deur sloot. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat de politieambtenaar op afstand was blijven staan om direct te kunnen ingrijpen als de persoonlijke integriteit van de arts zou worden aangetast. Dat was normaal, gebruikelijk en zeker in dit geval ook noodzakelijk, aldus de korpsbeheerder. Voorts deelde de korpsbeheerder mee dat verzoeker wel de mogelijkheid heeft gehad de arts onder vier ogen te spreken omdat de agente die in de buurt van de arts bleef de conversatie tussen verzoeker en de arts niet kon volgen.

De Nationale ombudsman overwoog dat volgens de ambtsinstructie een ontboden arts alle vrijheid dient te hebben een ingeslotene ter plaatse in een besloten ruimte te onderzoeken en te behandelen. Aan de arts moeten ook de nodige faciliteiten ter beschikking worden gesteld om zijn werk goed te kunnen uitvoeren. Tegen deze achtergrond en de omstandigheid dat verzoeker geen verdachte was van een (gewelddadig) strafbaar feit, maar ten behoeve van zijn eigen veiligheid was ingesloten en niet ten behoeve van die van anderen, zoals bijvoorbeeld de arts, was het niet juist dat verzoeker niet in de gelegenheid werd gesteld om de arts onder vier ogen te kunnen spreken. Daarbij is voorts van belang dat in het geval controle daadwerkelijk noodzakelijk zou zijn geweest, deze in eerste instantie had kunnen plaatsvinden via de doorzichtige plexiglas deur. De Nationale ombudsman achtte de onderzochte gedraging op dit punt «niet behoorlijk».

Ten slotte is rapport 2000/352 (DD 31 (2001; 3: 310-319, zie hierna § 7A.10.2, 7A.13.4 en 7A.21.3) hier vermeldenswaard. Verzoeker had 's avonds in een horecagelegenheid onenigheid gekregen met enkele personen waarbij hij was mishandeld. In een andere horecagelegenheid had hij de politie verzocht ter plaatse te komen in verband met deze mishandeling. Nadat verzoeker in gezelschap van twee politieambtenaren de eerstgenoemde horecagelegenheid had bezocht en daar de daders van de mishandeling niet meer had aangetroffen, hadden de politieambtenaren verzoeker verwezen naar het politiebureau voor het doen van aangifte. Omdat hij de weg naar het politiebureau niet wist, waren de politieambtenaren voor verzoeker uitgereden. Verzoeker had daarbij zelf zijn auto bestuurd. In het politiebureau constateerde een andere politieambtenaar dat verzoeker alcoholische drank had genuttigd. Om die reden nam hij geen aangifte van verzoeker op. Nadat verzoeker daarna in zijn auto was weggereden bij het politiebureau, werd hij door andere politieambtenaren aangehouden in verband met de verdenking van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank en overgebracht naar hetzelfde politiebureau, alwaar hij werd ingesloten. Verzoeker klaagde over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek tegen hem zijn opgetreden.

Verzoeker klaagt er onder meer over dat de politie, zonder met hem daarover te hebben overlegd, zijn echtgenote heeft gevraagd naar het politiebureau te komen om zijn negenjarige zoon, die hem op het moment van aanhouden had vergezeld, daar te komen ophalen.

De Nationale ombudsman gaat er bij de beoordeling van deze klacht vanuit dat ingevolge de Ambtsinstructie de politie na het insluiten van een minderjarige, in beginsel uit eigen beweging een huisgenoot of familielid op de hoogte dient te stellen van de insluiting. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de politie parallel hieraan een zorgplicht heeft ten aanzien van minderjarigen die in het gezelschap verkeren van een meerderjarige die is ingesloten. Deze zorgplicht houdt in dat de politie een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de zorg over een minderjarige. Hierbij dient zij in beginsel ervoor te zorgen dat de betreffende minderjarige wordt overgedragen aan de zorg van de huisgenoot of het familielid van die minderjarige. De Nationale ombudsman overwoog dat vast staat dat de politie zorg heeft gedragen voor verzoekers zoontje. Het lag dan ook in de rede dat de moeder van verzoekers zoontje van zijn verblijf in het politiebureau in kennis werd gesteld en dat haar werd verzocht haar zoontje op te komen halen. Echter, in dit geval had de politie er niet zonder meer aan voorbij kunnen gaan om verzoeker - ook een ouder/verzorger van het zoontje - in kennis te stellen van het voornemen om zijn echtgenote op de hoogte te stellen van het verblijf in het politiebureau.

De Nationale ombudsman achtte deze gedraging «niet behoorlijk».

 

Bron