Diensthond/pepperspray/wapenstok/fysiek geweld:

Rapport 2002/089 betrof het volgende. Verzoekster liep op een weg in Zoetermeer die niet is opengesteld voor voetgangers. Een toevallig passerende politieambtenaar verzocht haar meermaals om zich van deze weg te verwijderen. Omdat zij geen verhoor gaf aan zijn vorderingen, werd ze aangehouden. Verzoekster klaagde er over dat de politie jegens haar disproportioneel geweld had toegepast door bovenop haar te springen, haar tegen de grond te gooien, op haar te gaan zitten, haar te slaan, haar aan haar haren te trekken en met duimen tegen haar slapen te duwen. Vervolgens was zij de politieauto ingeslagen en wederom aan haar haren getrokken.

Uit de verklaringen van de politie bleek dat verzoekster zich had verzet tegen de aanhouding en dat dit de politieambtenaren belemmerde in de uitoefening van hun taak. De lezing van de politieambtenaren was dat één van hen verzoekster een pijnprikkel had gegeven door met haar duimen onder haar oren te drukken, om haar zo te dwingen haar armen te strekken. Niet was komen vast te staan dat de politieambtenaren bovenop verzoekster waren gesprongen, haar tegen de grond hadden gegooid, op haar rug waren gaan zitten, haar aan haar haren hadden getrokken of haar hadden geslagen. De Nationale ombudsman beschouwde het geven van de pijnprikkel een gedraging waartoe in redelijkheid kon worden overgegaan en achtte deze «behoorlijk». Een andere politieambtenaar had toegegeven een knie in verzoekster nek te hebben gelegd, ook met het doel haar onder controle te brengen. De Nationale ombudsman oordeelde dat een dergelijke gedraging een gerede kans op letsel met zich meebrengt en dat dit vanwege het aantal aanwezige politieambtenaren niet te rechtvaardigen was. Deze gedraging was «niet behoorlijk». Dat één politieambtenaar verzoekster bovendien een knietje in haar buikstreek had gegeven om haar de politieauto in te duwen, was eveneens, gezien het aantal aanwezige politieambtenaren, niet juist. Deze gedraging achtte de Nationale ombudsman ook «niet behoorlijk».

In de zaak die leidde tot rapport 2002/177 speelde het volgende. Twee ambtenaren van het regionale politiekorps Groningen vergezelden op 30 juli 1998 een forensisch geneeskundige van de plaatselijke GGD en een medewerker van de Hulpverleningsdienst Groningen naar de woning van verzoeker, met het doel de partner en het dochtertje van bijna twee jaar over te brengen naar een opvangadres in verband met psychische en relationele problemen. Verzoeker klaagde er onder andere over dat een van de politieambtenaren disproportioneel geweld tegen hem had gebruikt. Uit het onderzoek bleek dat verzoeker zich verbaal had teweer gesteld, en dat dit oncoöperatief overkwam op de politieambtenaren en de hulpverleners. Eén van de politieambtenaren heeft verzoeker vastgepakt en door middel van een wurggreep onder controle gebracht.

De Nationale ombudsman overwoog hierover het volgende. Het aanwenden van geweld door de politie dient in overeenstemming te zijn met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Zo mogelijk gaat aan het gebruik van geweld een waarschuwing vooraf. De Nationale ombudsman achtte dat in dit geval de politie verzoeker eerst had kunnen waarschuwen dat zij zou overgaan tot het aanwenden van geweld als verzoeker zich non-coöperatief bleef opstellen en oordeelde de gedraging «niet behoorlijk».

 

Verblijfsomstandigheden arrestanten:

Rapport 2002/035 (zie ook § 7A.4.2) handelde over het volgende. Verzoeker werd in zijn huis aangehouden door ambtenaren van het regionale politiekorps Haaglanden, en vervolgens ingesloten op het politiebureau. Verzoeker klaagde er over dat de politie hem (als suiker- en kankerpatiënt) tijdens zijn insluiting niet de juiste verzorging had geboden door hem onder meer zijn medicijnen, speciaal voedsel en (voldoende) water te onthouden. Hij stelde dat hij wel direct om zijn medicijnen, speciaal voedsel en water had gevraagd. Volgens verzoeker werd hem toen verteld dat het politiebureau geen hotel was. Volgens de politie was - nadat verzoeker zijn gezondheidstoestand duidelijk had gemaakt - de nodige en adequate verzorging geboden en in ieder geval niet onthouden. De klachtencommissie stelde dat een ambtenaar de medicijnen vanuit verzoekers woning had opgehaald en verzoeker ter beschikking had gesteld. Vervolgens heeft de politie verzoeker voedsel aangeboden, waarop verzoeker aangaf dat hij speciaal voedsel wenste dat hij thuis had liggen. De politieambtenaren hebben hem toen meegedeeld dat ze van plan waren hem kort nadien in vrijheid te stellen, zodat hij spoedig thuis kon eten. Volgens de politie protesteerde verzoeker toen niet.

De Nationale ombudsman overwoog hierover dat de politie ervoor dient te zorgen dat aan personen die zijn ingesloten in een politiecel de noodzakelijke medische zorg wordt verleend. Op grond van de Ambtsinstructie voor de politie dient een politieambtenaar in het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overleg te voeren met een arts en bovendien de ingeslotene regelmatig te controleren. Voorts moeten ten behoeve van een adequate verzorging aan ingesloten personen gegevens worden geregistreerd over onder meer het medicijngebruik en voedselbeperkingen op medische gronden. Gelet op het voorgaande, stond het vast dat verzoeker medicijnen gebruikte en dat de politieambtenaren die verzoeker hadden aangehouden hiervan op de hoogte waren. Ten onrechte had de politie echter nagelaten gegevens te registreren over het medicijngebruik van verzoeker en hierover overleg te plegen met een arts. Bovendien was niet gebleken dat verzoeker tussen de insluiting in een cel en de aanvang van het verhoor (een periode van zo'n anderhalf uur) regelmatig was gecontroleerd, waardoor hij niet in de gelegenheid was gesteld om (medische) hulp te vragen.

Doordat de politie dit alles had nagelaten, had zij in strijd gehandeld met de eisen die van belang zijn voor een adequate verzorging van ingeslotenen en met de registratieplicht.

Daar komt bij dat de politie zich niet adequaat had opgesteld door pas na twee uur verzoekers medicijnen op te halen. Met betrekking tot het speciale voedsel had de politie ten onrechte eigenmachtig bepaald dat het wachten hierop tot na de invrijheidstelling (anderhalf uur later) een verantwoorde beslissing was. In verband met het gegeven dat verzoeker vanaf het tijdstip van zijn aanhouding gedurende drie uur en drie kwartier niets had gegeten, had de politie deze beslissing niet mogen nemen zonder een arts te raadplegen en heeft zij daarmee verzoeker de noodzakelijke medische hulp onthouden. De Nationale ombudsman was van oordeel dat de onderzochte gedraging «niet behoorlijk» was.

In de zaak die leidde tot rapport 2002/103 (zie ook § 7A.2.1) klaagde verzoeker er over dat politieambtenaren van het regionale politiekorps Haaglanden niet adequaat hadden gereageerd op zijn vraag om medicijnen voor epilepsie, toen hij voor verhoor in een cel was ingesloten. De Ambtsinstructie schrijft voor dat een politieambtenaar met een arts dient te overleggen indien een ingeslotene medische bijstand behoeft, er bij hem medicijnen zijn aangetroffen of indien de ingeslotene zelf om medische bijstand verzoekt. Verzoeker ontkende dat hem werd gevraagd of hij medicijnen gebruikte, terwijl twee ambtenaren stelden dat verzoeker bij de voorgeleiding bevestigend had geantwoord op een vraag van de hulpofficier van justitie hieromtrent. Verder zou verzoeker aan de hulpofficier hebben geantwoord, dat het hem niet aanging welke medicijnen hij gebruikte. Gelet op het voorgaande was de Nationale ombudsman van oordeel dat de politie op grond van de Ambtsinstructie een arts had dienen te raadplegen op het moment dat verzoeker aangaf medicijnen te gebruiken. Hoewel overleg met een arts wordt bemoeilijkt, als de politie niet weet welke medicijnen een in te sluiten verdachte gebruikt, achtte de Nationale ombudsman het toch onverstandig dat in deze geen overleg met een arts had plaatsgevonden. De politie dient immers te voorkomen dat ingeslotenen van (wenselijke) medische bijstand blijven verstoken, als zij zich in het algemeen tegen de insluiting verzetten. Mede gelet op het feit dat de politie niet deskundig is op medisch gebied - zodat de vraag welke medicijnen iemand gebruikt in beginsel slechts voor de arts en niet voor de politie relevant is - was het niet juist dat geen arts was geraadpleegd. De Nationale ombudsman achtte de onderzochte gedraging dan ook «niet behoorlijk».

De zaak die leidde tot rapport 2002/135 (DD 2002 p. 901) betrof het volgende. Verzoeker had zich naar aanleiding van een krantenbericht bij de politie gemeld, waar hij werd aangehouden. Hij klaagde er over dat de politie, ondanks zijn verzoek daartoe, geen arts had geraadpleegd. Op grond van artikel 32, eerste lid van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar dient een politieambtenaar met een arts te overleggen indien een ingeslotene medische bijstand behoeft, er bij hem medicijnen zijn aangetroffen of indien de ingeslotene zelf om medische bijstand verzoekt. Vaststond dat verzoeker bij zijn aanhouding had gemeld dat hij suikerpatiënt was en dat hij daarvoor medicijnen gebruikte. Ook stond vast dat bij zijn insluitingsfouillering een (hart)medicijn in de vorm van een spray was ingenomen, dat de politie later desgevraagd weer aan verzoeker ter hand had gesteld. Weliswaar was uit de stukken niet duidelijk geworden of de politie wist dat het een medicijn betrof (er was een «flesje met een roze vloeistof» ingenomen), maar zo de politie al niet had begrepen dat het om een medicijn ging, dan had zij daar naar moeten informeren, te meer toen verzoeker vroeg of hij de spray weer bij zich mocht hebben. Ook was niet duidelijk of verzoeker om medische bijstand van een arts heeft gevraagd. In elk geval stond vast dat verzoeker aan de politie had verzocht zijn arts te bellen, opdat de politie geďnformeerd zou worden over de wijze van behandeling als hem op het politiebureau iets mocht overkomen. De Nationale ombudsman oordeelde dat onder de omstandigheden in kwestie de politie (telefonisch) een arts had moeten raadplegen. De onderzochte gedraging was «niet behoorlijk».

In de zaak die leidde tot rapport 2002/289 klaagde verzoekster over de insluitingsfouillering en visitatie van haar moeder door arrestantenbewaarders van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Met betrekking tot de insluitingsfouillering, kon de desbetreffende arrestantenbewaarster zich niet herinneren hoe deze was verlopen. Omdat de door verzoekster omschreven gang van zaken niet ongebruikelijk is bij een insluitingsfouillering van een verdachte, achtte de Nationale ombudsman aannemelijk dat deze fouillering inderdaad had plaatsgevonden zoals verzoekster dat heeft verteld: ze moest haar blouse en rok uittrekken, haar slip tot haar knieën laten zakken en haar b.h. was gefouilleerd.

De wijze waarop een insluitingsfouillering wordt uitgevoerd is niet expliciet en gedetailleerd geregeld in de Ambtsinstructie, maar in de Nota van Toelichting daarbij staat onder meer dat het aftasten en doorzoeken van kleding niet inhoudt dat de ingeslotene zich hiervoor van zijn kleding moet ontdoen of dat deze kleding ten behoeve van onderzoek moet worden afgegeven. Van de ingeslotene kan, aldus de Nota van Toelichting, alleen worden verlangd dat hij zich van zijn kleding ontdoet in een situatie zoals omschreven in artikel 29 van de Ambtsinstructie namelijk indien ofwel de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of van anderen kan vormen en een hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven, ofwel de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de arts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of van anderen kan vormen.

De Nationale ombudsman was van oordeel in deze zaak dat op grond van de ter zake geldende bepalingen verzoeksters moeder slechts onderworpen mocht worden aan een insluitingsfouillering, beperkt tot een onderzoek aan haar kleding. Een situatie, als bedoeld in artikel 29 van de Ambtsinstructie was niet gesteld of gebleken, terwijl evenmin sprake was van de in dit artikel bedoelde toestemming van een hulpofficier van justitie, dan wel het oordeel van een arts.

De Nationale ombudsman ging ervan uit dat aangehouden personen doorgaans niet weten hoever de bevoegdheden van de politie op dit punt precies reiken en aan welke verzoeken van politieambtenaren moet worden voldaan. In combinatie met de druk die een ophanden zijnde insluiting in een politiecel voor de meeste mensen en juist degenen die dat nog nooit hebben meegemaakt, meebrengt, zal dit veelal betekenen dat zij in feite geen keuze hebben om te doen wat van hen wordt verlangd. Het onderhavige geval leek daarvan een voorbeeld te zijn. Van een «vrijwillige medewerking» waarop de betrokken ambtenaar zich beriep, in welk geval een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet licht aan de orde zou zijn geweest, was geen sprake. De Nationale ombudsman achtte de onderzochte gedraging «niet behoorlijk».

Verder klaagde verzoekster erover dat de politie bepaalde goederen (een cassette en een zogenaamde tenser tegen reumatische pijn) niet aan haar moeder had overhandigd, terwijl haar moeder daar wel om had gevraagd. De korpsbeheerder stelde dat bepaalde goederen op grond van artikel 28 van de Ambtsinstructie moeten worden ingenomen, een standpunt dat de Nationale ombudsman in principe kon volgen, omdat zij mogelijk een gevaar kunnen opleveren. Echter, in dit geval achtte de Nationale ombudsman dat de politie verzoekster had kunnen wijzen op dit feit, zodat zij in ieder geval uitleg had kunnen geven voor het meebrengen van deze goederen. De politie had dan een arts dienen te raadplegen om te informeren of er medische gronden waren om de goederen aan verzoeksters moeder te geven. Ook deze gedraging achtte de Nationale ombudsman «niet behoorlijk».

 

Bron